Waarom ik in een woongroep woon

Woongroepen zijn allang niet meer de hippiecommunes van weleer. Voor het Algemeen Dagblad schreef ik een verhaal over hoe het is om in een woongroep te wonen.

Eten jullie dan ook altijd samen?’ Van alle vragen die ik krijg op het moment dat ik vertel dat ik in een woongroep woon, hoor ik deze het vaakst. Bij veel mensen roepen woongroepen nog altijd het beeld op van communes die gestoeld zijn op de vervlogen idealen uit de jaren 70, waar het collectief vooropstaat, mensen blootsvoets in zelfgebreide vesten rondlopen en de vrije liefde bedrijven in een permanente wolk van marihuana.

Dat beeld dient te worden bijgesteld. Een woongroep, aldus Van Dale, is niets meer dan ‘een groep van samenwonenden die gezamenlijk allerlei dagelijkse, huishoudelijke aangelegenheden verrichten, zonder dat er sprake is van een gezinsverband of liefdesrelaties’. Daar kun je dus alle kanten mee op. En hoewel die maatschappijkritische leefgemeenschappen van weleer vast nog wel bestaan, wonen in mijn woongroep in Amsterdam vier mensen die midden in de samenleving staan: Klasien is een leerkracht op een basisschool, Jeroen een bioloog en Roos een tuinontwerper. Om de vraag trouwens meteen maar te beantwoorden: we eten veel vaker alleen dan samen.

Toegegeven, ook ik had mijn reserves toen ik er drieënhalf jaar geleden mijn intrek nam. Zou het wel bij mij passen, dat intensieve samenwonen? Lange tijd dacht ik dat een woning zonder huisgenoten het meest nastrevenswaardige was dat er bestaat. Na een aaneenschakeling van aftandse studentenhuizen, waar de afwas soms weken bleef staan en de muizen over het aanrecht marcheerden, kon ik me toen ik eenmaal afgestudeerd was niks fijners voorstellen dan een huis waarin je helemaal zelf de regels bepaalt.

In je nakie naar de douche lopen. Een koelkast met alleen jouw spullen erin en niet de beschimmelde komkommer van je huisgenoot. Nooit vanuit je werk met knorrende maag moeten wachten totdat het gasfornuis vrij is, maar altijd kunnen koken wanneer het jou uitkomt. Zalig leek het me. Maar in de hoofdstad liggen droom en werkelijkheid op het gebied van wonen ver uit elkaar.

Ik was dan ook de koning te rijk toen ik met acht jaar inschrijfduur bij de woningbouwvereniging vlak voor mijn 26ste verjaardag een zogenoemde jongerenwoning kreeg toegewezen, speciaal bedoeld voor starters op de woningmarkt. Het studiootje midden in de Jordaan was met krap 25 vierkante meter weliswaar klein, maar wel helemaal voor mij alleen. Er lag een mooie houten vloer, de Noordermarkt was vlakbij, ik hoorde de klokken van de Westerkerk luiden. Een charmant optrekje.

Maar daags nadat ik mijn spullen van mijn studentenkamer had verhuisd naar mijn eerste volwassen woning – zo voelde het – begon de ellende. Mijn bovenbuurman bleek een groot liefhebber van gangsterrap en verdovende middelen, en maakte er een gewoonte van om bij voorkeur op doordeweekse dagen tot het ochtendgloren naar zijn muziek te luisteren met zoveel bas dat het plafond ervan trilde.

Binnen de kortste keren hadden we ruzie. Ik werd ook knettergek van de deur voor bewoners van het achterhuis, die pal naast mijn woonruimte was gesitueerd. Bij elk open- en dichtgaan produceerde die een geluid zo oorverdovend dat het leek alsof er voor het huis een strijker werd afgestoken. En omdat ik op de begane grond woonde in een smalle straat, was het zelfs op de zonnigste zomerdagen aardedonker in mijn huis. Een vervelend bijverschijnsel was bovendien dat ik door het gebrek aan licht een hardnekkig vochtprobleem had en op de raarste plekken in huis schimmel aantrof.

Anderhalf jaar lang had ik me kranig tegen alles verweerd – eindeloze gesprekken met de buurman, briefjes opgehangen bij de deur, vochtvreters in elke hoek van het huis – maar toen ik op een dag een gigantische rat over mijn toch al zo mistroostige, met mos overwoekerde binnenplaatsje zag lopen, was de maat vol. Tijd om mijn spullen te pakken. Maar waar naartoe?

Mijn opties waren beperkt. Een huis kopen zat er met al mijn tijdelijke contracten nog lang niet in. Ik had op dat moment geen vaste relatie, dus samenwonen behoorde ook niet tot de mogelijkheden. Mijn inschrijfduur bij de woningbouwvereniging was ik kwijt, want die vervalt op het moment dat je een huurovereenkomst aangaat.

Ik werd een van de velen die een wanhopige oproep op Facebook plaatste: woning gezocht, liefst zelfstandig, liefst binnen de ring en liefst voor zo min mogelijk geld. Inderdaad: gedoemd te mislukken.

Naast een aantal opties om voor een fortuin een bezemkast te huren in de meest onplezierige uithoeken van de stad, kwam via een collega van een goede vriend ook de mogelijkheid voorbij om bij een woongroep te gaan kijken in Amsterdam-West. Een groot monumentaal gebouw met een imposante tuin waar vrolijk kippen in rondscharrelden, vertelde hij. Dat was in elk geval al beter dan de rat waar ik het mee moest doen, dacht ik laconiek. ,,Geloof me, dit wil je echt!” zei mijn vriend enthousiast, die er zelf een paar keer was geweest en kennelijk erg onder de indruk was.

Ikzelf was gematigd enthousiast. De locatie, het gebouw en de woonruimtes klonken perfect, maar ik vond het moeilijk mijn zwaar bevochten zelfstandigheid op te geven. Had ik al die jaren afgezien in gore studentenhuizen om uiteindelijk tóch nog met huisgenoten samen te wonen?

Tegelijkertijd vond ik dat ik niet moest zeuren: alles was beter dan de situatie waarin ik me bevond. Na een mailtje waarin ik mezelf kort voorstelde, mocht ik komen hospiteren, zoals dat heet. Voor de aardigheid nam ik een fles wijn mee.

Het was mijn eerste ontmoeting met de mensen die een grote plek in mijn leven zouden gaan innemen. Ik herinner me die avond vooral als een prettige kennismaking. We vertelden elkaar over ons werk, onze vrienden, onze levensstijl. Het stelde me gerust dat de woongroep geen ideologische inslag had en dat er geen sociale verplichtingen waren, zoals dagelijks samen eten. Het huis was schoon, er stonden veel planten en tot mijn grote genoegen liepen er twee katten rond. Een huiselijke oase vergeleken met mijn gribus in de Jordaan.

Na een week werd ik gebeld dat ik welkom was. Ik wist niet hoe snel ik mijn spullen moest pakken.

Drieënhalf jaar later kan ik zeggen: deze manier van wonen past bij mij. Sterker nog: ik verkies het boven zelfstandig wonen. Los van alle mankementen die mijn vorige woning had, merkte ik dat ik na een dag hard werken soms best behoefte had om even aan iemand te vertellen hoe mijn dag was geweest, zonder dat ik daarvoor meteen ergens buitenshuis moest afspreken. Ik miste een klankbord binnen de vertrouwde muren van mijn eigen huis. Voor mensen die onder één dak wonen met hun partner of gezin is dat vanzelfsprekend. Maar als je alleen woont dient contact met anderen zich niet zomaar aan: daarvoor moet je altijd de buitenwereld in. Ik zal niet zeggen dat het eenzaam was, op mezelf wonen, maar wel: op mezelf. En daar bleek ik minder goed in dan ik altijd had gedacht.

Een woongroep ondervangt dat. Mijn huisgenoten en ik delen van alles met elkaar: succesjes en teleurstellingen op het werk, familie- en liefdesperikelen, de bonusaanbiedingen bij de Albert Heijn. Laatst was ik mijn fietssleutels voor de zoveelste keer kwijt. Moest ik wéér 40 euro neerleggen om mijn slot open te laten breken. Dan is het heerlijk als er iemand is met wie je dat leed even kan delen. We hebben zelfs een woord voor dat soort alledaagse beslommeringen: een mini-calamiteit.

Voor de grap zeggen we wel eens dat we een surrogaatgezinnetje zijn. En eigenlijk klopt dat wel. Als iemand zijn verjaardag viert, worden er slingers opgehangen. Als iemand ziek is, worden er boodschappen gedaan. We hebben een gezamenlijke rekening, waar gemeenschappelijke zaken als internet, de waspoeder en keukenspullen van worden betaald. Voor duurdere spullen zetten we gezamenlijk maandelijks geld opzij. En met Kerstmis tuigen we samen de kerstboom op.

Verstikkend vind ik het nooit. Als ik even geen zin heb in reuring of gezelligheid doe ik gewoon mijn deur dicht. Met een eigen woonkamer en een aparte slaapkamer heb ik voldoende ruimte om me terug te trekken. Daar word ik niet op aangesproken. En als ik me lang genoeg in mijn isolement heb onder- gedompeld, is contact nooit ver weg.

Eerlijk is eerlijk: nadelen zijn er ook. Hevige ruzies hebben we eigenlijk nooit, maar er wordt weleens gemopperd. In een woongroep wonen betekent dat je je voortdurend moet aanpassen. Soms doe je dat zonder erover na te denken: dan kook je gewoon een half uurtje later als er net iemand anders in de keuken staat. Maar soms is dat bijstellen van je plannen ook strontvervelend. Bijvoorbeeld als je geen schone sokken meer hebt en de wasmachine de hele dag bezet is. Of als het huis ineens vol zit vanwege een etentje terwijl jij een rotdag hebt gehad op je werk, en je eigenlijk de energie niet hebt om je tot mensen te verhouden. En ondanks de mogelijkheid je terug te trekken als je dat wilt, lever je onherroepelijk iets van je privacy in. Als ik een logé heb gehad, gaat dat niet zo snel aan mijn huisgenoten voorbij. ,,Wie was dat?” wordt er dan ‘s ochtends aan de keukentafel gevraagd. Toegegeven: dat zijn vaak leuke gesprekken.

Dat raakt meteen een punt waar mijn huisgenoten en ik het weleens over hebben. Ik leid een prettig leven. Ik heb leuk werk, een groot sociaal netwerk en een heus gezinnetje. Het is natuurlijk niet écht een gezin, maar de woongroep ondervangt wel degelijk een hoop functies ervan. Soms vraag ik me af of het daardoor komt dat ik niet zo bezig ben met het vinden van een partner met wie ik mijn leven wil delen. Ben ik alleenstaand en woon ik daarom in een woongroep? Of woon ik in een woongroep en ben ik daarom alleenstaand? Daar heb ik het antwoord nog niet op gevonden.

Grote kans dat mensen nog vaak een vreemd beeld hebben bij woongroepen: er kleeft nog altijd iets non-conformistisch aan. Maar met ideologie of maatschappijkritiek heeft dat tegenwoordig niet meer zoveel te maken. Een woongroep kan simpelweg een prettig manier van leven zijn voor mensen die om wat voor reden dan ook niet alleen willen wonen.

Laatst had ik iemand op bezoek die nog nooit in een woongroep was geweest. Hij vatte het mooi samen. ,,Eigenlijk is het hier best normaal”, zei hij.