‘Ik voel me niet prettig in een slachtofferrol’

Ze studeerde rechten aan de UvA, is docent bij de opleiding sociaaljuridische dienstverlening aan de HvA en werd voor haar rol in Joy (2010) genomineerd voor een Gouden Kalf. Samira Maas (28) laat zich niet makkelijk in een hokje stoppen. Maar op de vraag waar haar hart ligt, luidt het antwoord: in de jeugdzorg. ‘Ik wil twee dingen in het leven: mensen helpen en een gezin stichten.’

Zes uur geweest. Het is luidruchtig op het Waterlooplein. Voor de marktkoopmannen zit de dag erop. Terwijl zij druk bezig zijn met het inladen van hun koopwaar – tweedehands stoelen, lp’s van vergeten artiesten, opgezette dieren – komt Samira Maas aanrijden. Ze zet haar fiets op slot, fatsoeneert haar knotje en loopt naar het terras waar we vandaag hebben afgesproken.

Plotseling ontstaat er commotie: een jongen met een scooter aan zijn hand, een paar meter verderop, verliest zijn evenwicht en komt met een doffe klap ten val. Gesprekken vallen stil en iedereen kijkt zijn kant op. Maas draait zich om, loopt naar de jongen toe en stelt vast: niks aan de hand. De jongen krabbelt alweer overeind, meer beschaamd dan gewond. Dan loopt ze terug, glimlachend. ‘Even checken hoor.’

Het illustreert wat Maas later in ons gesprek zal zeggen: dat ze ‘mensen wil helpen’. Ze heeft het tot haar missie gemaakt. De oorsprong van die missie ligt in haar jeugd, die ze doorbracht in pleeggezinnen en kindertehuizen omdat haar biologische ouders niet voor haar konden zorgen. Al toen ze drie was wist ze wat ze wilde worden: kinderrechter. Ze begreep op die leeftijd dan wel niet precies wat zo’n persoon deed, maar ze was al vaak genoeg onderwerp van een zitting geweest om door te hebben dat rechters belangrijke beslissingen nemen over het leven van anderen. Ze dacht: als ik kinderrechter word, dan heb ik het voor het zeggen.

Inmiddels – Maas heeft haar studie rechten deze zomer afgerond – weet ze dat de werkelijkheid wat gecompliceerder ligt. De macht van een kinderrechter is niet oneindig. Maar dat ze op hoog niveau iets wil betekenen voor kinderen en hun (pleeg)ouders, dat ligt vast.

Er kwamen ook dingen op haar pad die Maas niet had voorzien. Toen ze als vrijwilliger bij Bureau Jeugdzorg werkte, drie jaar geleden, werd ze uit het niets ‘ontdekt’ door regisseuse Mijke de Jong. Zij castte Maas voor de rol van Joy in de gelijknamige film. Hierin speelt ze een 18-jarig meisje dat als baby te vondeling is gelegd en wanhopig op zoek gaat naar haar biologische moeder. ‘Het was liefde op het eerste gezicht,’ vertelde De Jong in Het Parool over het moment dat ze Maas voor het eerst zag. ‘Dat bokkige, dat stuurse, maar daarachter een heel gevoelig kind. Het was zij of niemand anders.’ Maas, zonder enige acteerervaring, verraste iedereen met haar vertolking van de boze, getroebleerde puber. Ze werd genomineerd voor een Gouden Kalf en sleepte verschillende buitenlandse prijzen in de wacht.

Eind deze maand gaat Maas’ tweede film in première op het Nederlands Film Festival: Cabo. Hierin speelt ze het vriendinnetje van een in Rotterdam wonende Kaapverdiaan, die tijdens een slippertje een ander meisje zwanger maakt. Ook in deze film is het ontbreken van ouderlijke liefde een thema.

Maas draagt sneakers en een trainingsbroek – ‘Ik ga straks naar de sport-school’ – met daarboven een legergroen jasje. Haar nagels zijn geel gelakt. Bij sommige vragen verschijnt er een frons op haar gezicht en kijkt ze even voor zich uit, voordat ze antwoordt. ‘Mensen denken vaak dat ik boos kijk,’ vertelt ze. ‘Maar meestal denk ik dan gewoon na. Ik ben helemaal niet zo’n boos persoon.’

Niet? In interviews las ik dat Mijke de Jong te laat kwam op jullie eerste afspraak, en dat je daar behoorlijk geïrriteerd over was. Het was een van de redenen waarom ze je zo geschikt vond voor de rol van Joy.

‘Ik zat toen midden in tentamentijd. Ze kwam ruim een uur te laat, en ik had op dat moment wel betere dingen te doen. Dat heb ik haar toen laten merken, ja. In het begin moest ik niets van haar weten. Ik had geen idee wat ze van me wilde.’

Ze wilde je casten.

‘Dat was niet haar insteek. Ze wilde vooral praten met iemand die ongeveer hetzelfde had meegemaakt als haar hoofdpersonage, om een beter beeld te krijgen van waar ze nou precies naar op zoek was. Ze had al tientallen meisjes gezien, maar ze was nog niet tevreden. De coördinator van Bureau Jeugdzorg heeft mij toen voorgedragen. Toen bleek dat Mijke wilde dat ik auditie ging doen, was ik echt verbaasd. Ik had nog nooit geacteerd en had ook nooit die ambitie gehad. Ik heb lang getwijfeld of ik het moest doen. Eigenlijk had ik helemaal geen zin om in de belangstelling te staan, omdat ik wist dat ik dan ook míjn persoonlijke verhaal zou moeten vertellen.’

Dat is wat je nu aan doen bent: vragen beantwoorden over jouw leven. Vind je dat moeilijk?
Ze zwijgt even. Dan zegt ze: ‘Ik praat niet zo makkelijk over dingen. Dat vind ik lastig. Ik wil niet als slachtoffer gezien worden. Mensen zeggen vaak tegen me: wat ben je goed terechtgekomen, wat knap van je. Ik weet dat het goed bedoeld is, maar het geeft me ook het gevoel dat je bijna niet kan slagen in het leven als je zulke dingen heb meegemaakt.’

Hoe bedoel je dat?
‘Het klinkt cliché, maar ik denk dan: kijk eens wat er in andere landen gebeurt. In Syrië om maar wat te noemen, waar kinderen worden vermoord. Ik weet dat de dingen die ik heb meegemaakt moeilijk zijn, maar het is maar een fractie van wat andere mensen op de wereld te verduren krijgen. Ik voel me helemaal niet prettig in een slachtofferrol. Ik wil niet dat mensen naar me kijken en denken: wat heeft zij het moeilijk gehad.’

Maar het ís toch ook moeilijk? Verlaten worden door je ouders?
‘Natuurlijk, dat is het ook. Dat zou ik nooit ontkennen. Het is de reden waarom ik uiteindelijk besloot om die rol te spelen; om dat thema onder de aandacht te brengen. Maar wat ik wil zeggen is: ik ben meer dan alleen “dat meisje met een moeilijke jeugd”. Juist door in die film te spelen wilde ik laten zien hoe ver je kunt komen, ook als je je jeugd in pleeggezinnen en kindertehuizen hebt doorgebracht.’

In tegenstelling tot Joy is Maas niet te vondeling gelegd. Ze weet wie haar biologische ouders zijn – haar moeder is Nederlands, haar vader is Marokkaans – maar ze heeft niet vaak contact met ze. Die behoefte voelt ze niet zo, zegt ze. Niet dat ze boos is. ‘Mensen maken fouten,’ vertelt Maas. ‘Ik besef heel goed hoe moeilijk het voor hen moet zijn geweest om afstand te doen van je eigen kind.’ Verder wil ze daar niet te veel over kwijt. ‘Dat is hún verhaal, niet het mijne.’

Maas was twee jaar toen ze in een Rotterdams pleeggezin terechtkwam. Als ze het tijdens ons gesprek over ‘haar ouders’ heeft, dan bedoelt ze haar pleegouders. Met hen heeft ze altijd contact gehouden. Ze vertelt hoe haar ouders het naar haar zin probeerde te maken. Dat ze een nieuwe kamer kreeg, op zolder, en de kleur van de muren mocht uitkiezen. ‘Maar ik stond daar niet zo voor open,’ zegt Maas. ‘Ik was vrij stil toen, las heel veel boeken. Het was niet makkelijk voor me om deel te nemen aan een gezin. Ik kon er niet goed aarden.’

Waar dat gevoel precies in zit, dat kan Maas moeilijk uitleggen. De gezinssituatie was te benauwend voor haar. Ze had het gevoel dat er dingen van haar werden verwacht. Dat ze leuk en spontaan moest zijn. ‘Ik was van mijn biologische ouders, via een crisisopvang, in een pleeggezin terechtgekomen. Ik denk dat ik ergens ook dacht: wanneer moet ik hier weer weg?’

Uiteindelijk werd in samenspraak met haar ouders en Bureau Jeugdzorg besloten dat het beter voor haar was als ze naar een kindertehuis zou gaan. Daar had ze meer vrijheid. Niet elke dag dezelfde mensen om je heen. Ze was toen tien. Aanvankelijk bleef ze nog in een zogenaamde ‘observatiegroep’ in Rotterdam, waar naar een passende plek voor haar werd gezocht. Zo verhuisde ze na een jaar naar tehuis De Widdonck, in het Limburgse Heimbloem. Dat was een omschakeling. In het begin voelde ze zich een buitenstaander. Alleen al omdat ze de enige in haar klas was die met een harde g praatte. ‘En Heibloem is een klein dorp. Iedereen kende het tehuis daar. Bij sommigen heerste het gevoel van: pas op voor die mensen.’

Waar merkte je dat aan?

‘Op zaterdag gingen we wel eens zwemmen met de hele groep. Ik herinner me een dag dat ik me aan het omkleden was en dat een vrouw ineens op de deur van mijn hokje klopte. Haar kluisje stond open, en ze was haar portemonnee kwijt. “Die heb jij gestolen!” riep ze. Ze wist dat ik van het tehuis kwam, dat hoorde ik haar zeggen. “Doe normaal man,” zei ik. Ze eiste dat ik mijn tas openmaakte. Ik was woedend. Een jongen van de groepsleiding heeft toen gevraagd of ik mijn tas voor hem open wilde doen. Uiteindelijk bleek de portemonnee van die vrouw gewoon in haar kluisje te liggen.’

Je klinkt weer boos. 
‘Dat mensen zo vooringenomen kunnen zijn, dat vind ik onbegrijpelijk.’

Maas voelde zich vaak anders dan de rest van de kinderen in het kindertehuis. Dat begon al in Rotterdam, toen ze sommige kinderen aan de lopende band scheldwoorden als ‘kanker’ en ‘kut’ hoorde zeggen. ‘Ik wist in het begin helemaal niet wat ze daarmee bedoelden. Ik kende die woorden gewoon niet.’

Dat ze zich geen onderdeel voelde van de groep had ook te maken met het feit dat ze regulier onderwijs volgde, en niet ‘intern’ naar school ging – zoals de meeste kinderen in het tehuis. Maas was een goede leerling en gedroeg zich goed in de klas. ‘Ik voelde me niet beter dan de rest. Maar ik vond moeilijk aansluiting,’ vertelt ze.

Toch was het ook een leuke tijd: in Heibloem maakte ze buiten het tehuis na verloop van tijd goede vrienden, bij wie ze altijd welkom was. Ze belandde in Amsterdam toen ze na een studie sociaal juridische dienstverlening in Maastricht stage ging lopen bij een woningbouwvereniging. Daarna begon ze aan een studie rechten aan de UvA. Kinderrechter zou ze nog steeds wel willen worden, maar pas later, als ze meer ervaring heeft in het jeugdrecht.

‘Inmiddels weet ik ook dat je niet zomaar kinderrechter wordt. Je komt in een roulatiesysteem terecht, waarbij je ook bijvoorbeeld ook strafrecht doet.’ Ze denkt er nu over om eerst de kant van beleid maken op te gaan. Want wat ze wel zeker weet is dit: in de jeugdzorg moeten dingen beter.

‘Ik heb in mijn jeugd zo veel gezinsvoogden gezien [vertegenwoordigers van Bureau Jeugdzorg, red.]. Om het halfjaar maken zij rapporten waarin staat hoe het met je gaat. Ik herinner me dat mijn naam verkeerd was gespeld en dat mijn leeftijd niet klopte. En dat zijn dan de mensen die moeten beoordelen wat het beste voor mij is?’

Het komende jaar geeft Maas in ieder geval nog les op de HvA, waar ze onlangs een vast contract tekende. Ze heeft het naar haar zin voor de klas. ‘Ik vind het belangrijk dat mijn studenten zich prettig voelen in mijn les. Ik noem ze altijd bij naam, geef ze veel complimenten. Ik heb het meteen door als er iets aan de hand is. Afgelopen jaar was er een meisje dat altijd goede cijfers haalde, maar ineens veel minder presteerde. Dan vraag ik wat er aan de hand is. In dit geval bleken er problemen thuis te zijn. Dan zeg ik: probeer het vak te halen, anders krijg je dit probleem er straks ook nog bij.’

Maas is onlangs verhuisd naar een nieuwe woning, waar ze naar eigen zeggen voor het eerst in haar leven in heeft geïnvesteerd. De lelijke vloerbedekking die er lag heeft ze verwijderd en vervangen voor een mooie houten vloer. ‘Mijn beste vriendin zei: “Wow Sam, heb jíj een vloer gelegd?” Ik denk dat ik bij al mijn woningen altijd heb gedacht: waarom zou ik er moeite in steken? Ik ga hier toch weer weg.’

En nu? Heb je je plek gevonden?

‘Ik weet het niet. Wat vrienden betreft zeker. Ik heb een hechte vriendinnengroep. Bij hen voel ik: dit is iets wat blijft. Maar toch heb ik een bepaalde onrust in me. Ik kan bijvoorbeeld niet uitslapen. Zodra het licht wordt, wil ik mijn bed uit. Ik ben altijd op zoek naar iets. Ik weet niet wat dat is.’

Wat denk je?
‘Ja, als ik dat wist.’ Ze lacht, is even stil, en zegt dan: ‘Ik denk dat ik twee dingen wil in het leven: mensen helpen en, uiteindelijk, een gezin stichten. Daar verlang ik naar: dat wereldje met elkaar. Ergens vind ik dat egoïstisch. Dan denk ik: er zijn zo veel kinderen die nergens naar toe kunnen, en dan wil jij zo nodig kinderen van jezelf. Ik weet dat dat niet reëel is, maar het voelt wel zo. Een vriendin zei laatst tegen me dat ik mezelf meer moest gunnen. Toen dacht ik: ja, je hebt ook gelijk.’ Ze kijkt een tijdje voor zich uit. ‘Maar hoe je dat doet, dat is nog een zoektochtje.’

CV Samira Maas
1984 geboren in Breda
1996-2001 Bouwens van der Boijecollege in Panningen
2001-2005 sociaaljuridische dienstverlening in Maastricht
2003 Stage Blijf-van-mijn-lijfhuis in Maastricht
2004-2005 stage Algemene Woningbouw Vereniging in Amsterdam, afdeling sociaal beheer
2007-2012 rechten, Universiteit van Amsterdam
2009- nu docent rechten aan de HvA, sociaaljuridische dienstverlening
2010 film: Joy
2011 korte film: Life is beautiful
2012 film: Cabo